HISTORIE WETENSCHAP

Wetenschappelijk onderzoek in samenwerking met de Radboud Universiteit
Begin 2020 startte er vanuit de Radboud Universiteit, in samenwerking met Instituut Kind in Beeld en enkele internationale hoogbegaafdheidsorganisaties, een wetenschappelijk onderzoek naar het Wereldspel in relatie tot hoogbegaafdheid onder leiding van prof. Dr. E.H. Kroesbergen: `Characteristics of giftedness: A theoretical background for assessing children with the World Game`. Een eerste oriënterende fase liet voldoende bevestiging zien om door te gaan en uiteindelijk te komen tot een gestandaardiseerde signalering hoogbegaafdheid met het Wereldspel. Het onderzoek is op dit moment in volle gang.

Uit de informatiefolder voor ouders en professionals
`Het Wereldspel is een onderzoeksinstrument dat op een niet-talige manier de cognitieve capaciteiten en leerstrategieën van een kind in kaart brengt. Daarnaast geeft het inzicht in hoe een kind de wereld beleeft en of er sprake is van beelddenken. Dit maakt het Wereldspel tot een mogelijk geschikt instrument om (hoog)begaafdheid te signaleren in de praktijk, bijvoorbeeld het onderwijs. Het is echter nog onduidelijk hoe het Wereldspel samenhangt met testen voor (hoog)begaafdheid die door gespecialiseerde kinderpsychologen worden afgenomen, zoals de Wechsler intelligentietest voor kinderen (WISC). De Radboud Universiteit onderzoekt samen met het Instituut Kind in Beeld hoe scores op de WISC en scores van het Wereldspel met elkaar samenhangen. Zo kan er gekeken worden op welke gebieden de testen hetzelfde meten en op welke gebieden ze elkaar juist kunnen aanvullen.`


Het Wereldspel als diagnosticum vindt zijn oorsprong begin 20e eeuw.
In 1911 publiceert H.G. Wells (auteur) een boekje onder de naam ‘Floor games’. Hierin beschrijft hij hoe zijn zoon persoonlijke elementen en capaciteiten liet zien in zijn bouwwerken van houten speelgoedelementen.

Omstreeks 1925 zoekt kinderpsycholoog Margaret Löwenfeld na het lezen van het boekje van Wells, met haar ‘Welttechnik’ verder naar een manier om uitingen van kinderen in een regelgeving vast te leggen en te interpreteren. Ze plaatst het materiaal in de therapeutische sfeer.

Ongeveer gelijktijdig geeft Melanie Klein in haar geschriften aan dat ze het idee heeft om `spelmateriaal` te gebruiken als uitgangspunt voor psychoanalytische behandeling van kinderen. Onder invloed van Anne Freud gebruikt zij het materiaal om het psychologisch aspect nader te onderzoeken.

In 1931 beschrijft Hildegard Hetzer in haar boek `Kind und Schaffen` de fase-gewijze, wetmatig verloende ontwikkeling van het omgaan met spelmateriaal.

Na een bezoek aan Löwenfeld gebruikt Charlotte Bühler (psychologe en hoogleraar) het Wereldspelmateriaal om het gedrag en de intelligentie van een kind te meten. Zij benadrukt het ontwikkelingspsychologische aspect en brengt het materiaal naar Nederland.

Onder leiding van Bühler doet Margaret van Wijlick in 1936 een poging om de standaardisering uit te werken. Ze is vooral geinteresseerd in de invloed die leeftijd en ontwikkelingsniveau hebben op de wijze van omgaan met het materiaal.

In 1936 ziet Henri Arthus het bouwen als een test van de stijl en de aard van het scheppend vermogen. Hij plaatst de gedragsverklaring tijdens het bouwen in een psychologische theorie.

In 1945 ontwikkelde P. Mabille een standaardisering van het materiaal. Naast het gedrag kijkt hij ook naar de structuur van het gebouwde en de wijze waarop de verschillende kwadranten van de tafel gebruikt worden. Deze kwadranten geeft hij een symbolische betekenis.

In 1947 sluit Prof. Dr. L.N.J. Kamp (arts en psychiater) aan op het werk van Van Wijlick. Hij zoekt naar normen in de vorm van leeftijdscriteria en ontwikkelt een theoretisch kader.

Dr. P.C. (Nel) Ojemann behoort tot de pioniers op het gebied van remedial teachers in Nederland en is in de jaren `60 docent van de eerste Remedial Teacher cursus te Amsterdam.  Tijdens haar studie pedagogiek maakt ze kennis met het Wereldspel door de publicaties van Kamp. Zij combineert dit met de ontwikkelingstheorie van psycholoog Erik Erikson en het werk van logopediste Maria Krabbe over het beeld- en begripsdenken.
Ojemann (zelf dyslectisch en beelddenker) ziet het Wereldspel als preventief onderzoeksinstrument en een manier om (leer)problemen voor te zijn. Zij voegt het pedagogische criterium toe. Jarenlang longitudinaal onderzoek en praktijkervaringen resulteert in 1976 in een eerste handleiding voor observatie, uitwerking en beoordeling van het eindproduct van het Wereldspel door Ojemann.

In 1979 sluit Marianne Lahpor-Pluymakers in haar doctoraalscriptie aan op de ruimtelijke ontwikkeling geschetst door Piaget. Ze legt een relatie met de niveaus van handelen in het Wereldspel en indicaties omtrent aanwezige cognitieve ontwikkeling en capaciteiten van een leerling.

Vanaf 1996 organiseert de al op leeftijd zijnde Ojemann enkele opleidingen rondom het Wereldspel voor professinals, waaronder remedial teacher Marion van de Coolwijk. Na het overlijden van Ojeman in 2003 zet Van de Coolwijk het gedachtegoed voort. Zij schrijft een toegankelijk boek over de materie en ontwikkelt een praktische opleiding en studiedag rondom het Wereldspel voor zorg- en onderwijsprofessionals.

De aandacht voor het cognitieve aspect zorgde als snel voor samenwerking met organisaties en specialisten op het gebied van hoogbegaafdheid. Het Wereldspel geeft namelijk duidelijke signalen af naar cognitieve capaciteiten en begaafdheid, zelfs als de resultaten op school of van een erkende IQ-test dit niet laten zien of zelfs tegenspreken.

Een ontmoeting in 2016 van Van de Coolwijk met Linda Silverman (Founder Gifted Development Center) op een SLO-congres en Grith Tschorn (President Gifted Children Denmark), leidt tot nauwe samenwerking met meer internationale hoogbegaafdheidsorganisaties in Denemarken, Griekenland en U.S.A. Wereldwijd groeit het verlangen naar een non-verbaal onderzoeksinstrument voor situaties waarin de WISC afnemen niet mogelijk is.

In 2018 leidt Van de Coolwijk een groep internationale hoogbegaafdheidspecialisten op in het werken met `the World Game`, waaronder Linda Silverman, Susan Daniels, Grith Tschorn, Tina Harlow en Danae Deligeorges.

Wereldwijd bouwen leerlingen nu dorpen en worden de gegevens vergeleken met hun WISC-scores. Dit heeft geleid tot een enorme hoeveelheid data en de wens om dit wetenschappelijk te onderbouwen. Want hoewel het Wereldspel de afgelopen 25 jaar in de praktijk zijn waarde vol heeft bewezen, en het in Denemarken, Griekenland en de U.S.A. al als volwaardig instrument wordt ingezet bij screening begaafdheid, maakt het non-verbale karakter van dit instrument het moeilijk wetenschappelijk te `bewijzen`.

De afgelopen17 jaar is er een wereldwijd netwerk van bevoegde onderwijs- en zorgprofessionals ontstaan die er middels intervisie en samenkomsten voor zorgen dat het werken met het Wereldspel zich inhoudelijk en kwalitatief blijft ontwikkelen. Door de groeiende internationale aandacht en de draagkracht dat dit wel eens het alternatief zou kunnen zijn in situaties waarin reguliere (verbale!) testen ontoereikend zijn, is ook de wetenschap betrokken geraakt.

Informatiebronnen:

Arthus, Henri, Psychologie virtualiste: Le village, test d’activité créatrice – Paul Hartmann editeur). (1949)

Bowyer, R. (1975). Expression of thoughts by means of the Lowenfeld sand tray `World material`.

Bühler, C. & Hetzer, H., Kleinkindertests. Entwicklungstests vom 1. bis 6. Lebensjahr.

Bühler, Charlotte, Practische Kinderpsychologie. Utrecht, 1949] Leipzig, (1932).

Bühler, C. (1951) The world test: a projective technique. Journal of child Psychiatry 2:4-23

Coolwijk, Marion, (2003)  Beelddenken, visueel leren en werken. Instituut Kind in Beeld.

Coolwijk, Marion, (2011) Signaleren met het Wereldspel. Instituut Kind in Beeld

Coolwijk, van de M. (2008). Het Wereldspel: veel meer dan spelmateriaal. Praxisbulletin 26/3, november

Coolwijk, van de M. (2011). Diagnosticeren Expert Beelddenken. Uitgeverij Kind in Beeld

Hetzer, H., (1980) Spel en speelgoed. Tirion Uitgevers

Kamp, L.J.N., (1946) Speldiagnostiek. Een ontwikkelingspsychologisch en kinderpsychiatrisch onderzoek, proefschrift Universiteit van Utrecht

Krabbe, Maria J., (1951) Beelddenken en Woordblindheid.  Van Loghum Slaterus, Arnhem,

Lahpor-Pluymakers M. & P. Span (1994). Begeleiding van hoogbegaafde leerlingen in het voortgezet onderwijs in: Handboek voor Leerlingbegeleiding. Alphen aan den Rijn: Samsom Tjeenk Willink.

Lahpor, M., Ojemann P.C. (1990). Ojemann wereldspel. Tor

Löwenfeld, M. (1954) The Lowenfeld Mosaic Test. London: Newman Meane,

Löwenfeld, M., (1935) World techniques: Play in childhood. Cambridge, (1935)

Mabille,P. (1950) La Technique du test du village, Paris, Presses Universitaires de France. Reprinted: Dufour.

Mucchielli, R. (1960) Le jeu du Monde et le Test du village Imaginaire. Paris: presses Universitaires de France.

Ojemann, P.C. (1955) Het verschil in de wijze van uitwerking van het wereldspel door het al dan niet dyslectische kind.
Scriptie MO-A Amsterdam

Ojemann P.C., Wereldspel, een pedodiagnosticum. Almere, Tor

Ojemann P.C., (1987) Woordblindheid en Beelddenken , Uitgeverij: Van Loghum Slaterus Deventer,

Ojemann P.C. en Sangers A.G., (1990) Kijken naar fouten. Uitgave: Bureau Ojemann

Ojemann P.C., Ondersteuning van systeemgerelateerde leermoeilijkheden. Tijdschrift voor Remedial Teaching 97/3. 1996-1998

Ojemann P.C., Ockels J., (1996)  Het wereldspel in perspectief – Sartorius

Ojemann P.C., Brouwer H., Kruizenga T., (1996)  Beelddenken bij kleuters (handleiding cursus waar­nemen en signaleren) uitgave Bureau Ojemann

Ojemann P.C., Brouwer H., Kruizenga T., (1998)  Beelddenken in het onderwijs

Pickford, R. (1973) (Ruth Bowyer). The versatility of the World Technique. Projective Psychology 18: 21-31

Ponjaert-Kristofferen, I. (1977) Het interactieproces: ouders-kind-leerkracht; een bijdrage tot persoonlijkheidsontwikkeling. Brussel: VUB-doctoraatsscriptie

Wells, H.G., (1911) Floor Games: a fathers`s Account of Play and its Legacy of Healing, London,

Wijlick van, M. (1936) Die Welt des Kindes in seiner Darstellung World Techniqe. Vienna: Josef Eberle.